fbpx
Direct letselschade aanmelden

Hof: Causaal verband tussen klachten en ongeval dient te worden onderbouwd met deskundigenrapport wanneer er sprake is van een lage Delta v

In deze zaak staat de vraag centraal of er causaal verband bestaat tussen whiplashachtige klachten en een verkeersongeval waarbij een lage Delta v bestaat. Appellant is in 2001 slachtoffer geworden van een verkeersongeval waarbij hij zittend achter het stuur aangereden is door de wederpartij. Op het door beide bestuurders ondertekende aanrijdingsformulier is aangegeven dat er lichte schade is bij één van de auto’s en dat beide auto’s met ongeveer 30 km per uur reden. Daarnaast is aangegeven dat er sprake is van letsel aan de rug bij appellant.

Door beide partijen is vervolgens in gezamenlijk overleg een gecombineerd orthopedisch en neurologisch onderzoek verricht, waaruit geconcludeerd werd dat de door appellant aangegeven beperkingen aannemelijk zijn op grond van de aanwezigheid van een postwhiplashsyndroom als gevolg van het ongeval. Hierbij is uitgegaan van de situatie dat appellante stilstond en van achteren is aangereden met 30 km per uur. Hierbij Op basis van het rapport is door de rechter in eerste aanleg causaal verband aangenomen tussen de aanhoudende klachten van appellante en het verkeersongeval.

Er wordt hoger beroep ingesteld waarbij het geschil tussen partijen over het causaal verband volledig aan het hof wordt voorgelegd. Van belang is dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het causaal verband rust op appellant. Het bewijs van het causaal verband tussen de gezondheidsklachten en het ongeval zal veelal geleverd zijn indien vast komt te staan dat de benadeelde voorafgaand aan het ongeval deze gezondheidsklachten niet had, de gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de gezondheidsklachten ontbreekt.

Het hof overweegt dat het deskundigenrapport steun biedt voor de stelling dat sprake is van causaal verband, maar de verzekeraar levert fundamentele kritiek op het deskundigenrapport. Volgens de verzekeraar zijn de deskundigen uitgegaan van een onjuist ongevalstoedracht. Zij zijn namelijk uitgegaan van situatie dat appellante stilstond en met 30 km per uur is achterop aangereden, terwijl op het aanrijdingsformulier vermeld is dat beide partijen ongeveer 30 km per uur reden. De geweldsinwerking is hierdoor verschillend. Doordat de deskundigen geen antwoord hebben gegeven op de vraag of er medisch gezien dezelfde klachten en beperkingen hadden kunnen zijn bij een andere toedracht (beide partijen rijden 30 km per uur), staat het causaal verband tussen de klachten en het ongeval niet vast.

Het hof stelt vast dat uitgegaan moet worden van de situatie dat beide partijen 30 km per uur hebben gereden waardoor er een geringe geweldsinwerking is geweest (tussen de 5 á 10 km per uur) en dus een lage Delta v. Daarvoor oordeelt het hof dat voorop staat dat een geringe Delta v op zichzelf niet per definitie in de weg staat aan het aannemen van causaal verband tussen de pijnklachten en het ongeval, maar wel een omstandigheid is die in aanmerking moet worden genomen bij het antwoord op de vraag of sprake is van causaal verband. Op basis van studies wordt aangenomen dat sprake is van een correlatie tussen het risico op whiplash en de Delta v, dat bij achteropaanrijdingen het risico op langdurige klachten sterk toeneemt boven een Delta v van meer dan 15 km/uur. Het hof concludeert dat ondanks een lage Delta v het ongeval toch de klachten kan hebben veroorzaakt, maar onderbouwd dient te worden met een deugdelijk deskundigen rapport, waarin wordt aangenomen dat sprake is van een lage Delta v maar waaruit volgt dat ook dan sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de klachten van de betrokkene.

Rechtbank Amsterdam 16 juli 2020: kledingwinkel niet aansprakelijk ex artikel 7:658 BW voor hoofd stoten tegen kledingstang

Een werkneemster van Primark is op 2 maart 2017, terwijl zij kleding van de paskamers terugbracht naar hun plaats in de winkel, met de linkerkant van haar hoofd tegen het uiteinde van een metalen kledingstang aangekomen. Als gevolg hiervan heeft de werkneemster onder andere letsel aan het oog opgelopen, waardoor zij een jaar arbeidsongeschikt is geweest, medische kosten heeft gemaakt en binnen en buiten een zonnebril moet dragen.

Is Primark als werkgever aansprakelijk voor de schade die haar werkneemster heeft geleden? De werkneemster meent dat Primark tekort is geschoten in de zorg die op haar rust op grond van artikel 7:658 lid 1 BW. Volgens de werkneemster maakt Primark gebruik van kledingrekken met een uitstekende metalen punt en van Primark mag worden verlangd dat zij een rubberen dop of knop op die uitstekende punt zou hebben geplaatst. Daarnaast heeft Primark nagelaten om een training of instructies te geven ter voorkoming van ongevallen op de werkvloer.

Primark ontkent aansprakelijk te zijn omdat er sprake is van een huis- tuin- en keuken-ongeval. Volgens Primark heeft de werkneemster eenvoudigweg niet goed opgelet en hoefde Primark niet te waarschuwen voor het risico dat men ergens tegenaan kan lopen. Daar komt bij dat de kledingstangen niet alleen in alle vestigingen van Primark over de hele wereld worden gebruikt, maar ook in vele andere kledingwinkels. De werkneemster was bovendien bekend met de kledingstangen en het plaatsen van rubberen doppen zou het ongeval niet hebben voorkomen.

De rechtbank oordeelt eerst dat niet vaststaat dat de klachten van de werkneemster zijn ontstaan doordat zij haar hoofd heeft gestoten tegen een kledingstang. In het dossier is nauwelijks iets te vinden over de toedracht van het ongeval. Er zijn videobeelden overlegd waarop te zien is dat de werkneemster met kleding naar een kledingstang loopt. Daar buigt zij zich naar voren, richt zich direct weer op en loopt weg in de richting waar zij vandaan kwam. Primark en de werkneemster zijn het er over eens dat de werkneemster zich heeft gestoten tegen de kledingstang, maar niet vaststaat dat de klachten van werkneemster hierdoor zijn ontstaan. Zo dateren de oudste in het dossier aanwezige medische stukken bijvoorbeeld van een week na het ongeval.

Volgens de rechtbank maakt dit echter niet uit: “Ook als de kantonrechter ervan zou uitgaan dat de klachten van werkneemster zijn veroorzaakt door dat zij haar hoofd heeft gestoten tegen een kledingstang, wat nog niet vaststaat, dan is er nog geen grond om Primark daarvan een verwijt te maken.” De rechtbank oordeelt dat ten eerste niet vaststaat dat de werkneemster met haar oog tegen het scherpe uiteinde van de kledingstang is gekomen. Dit is op de video niet te zien. Ten tweede oordeelt dat rechtbank dat het uiteinde helemaal niet scherp is, zodat er geen risicovolle situatie is waarvoor de Primark had moeten waarschuwen of die Primark had moeten voorkomen. Bovendien heeft de werkneemster niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat het allemaal anders was afgelopen als Primark de uiteinden van de kledingstangen van rubberen doppen had voorzien. De conclusie van de rechtbank luidt dat Primark niet aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval op 2 maart 2017.

Gerechtshof Amsterdam 19 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1383

In deze zaak staat de vraag centraal of een voorlopig deskundigenonderzoek ex artikel 202 Rv moet worden bevolen in verband met de vaststelling van de schade die appellant heeft geleden als gevolg van een verkeersongeval. In verband met de psychische klachten die appellant aan het ongeval wijt en de beperkingen die hij aan deze klachten relateert, zijn partijen overeengekomen dat appellant psychisch wordt onderzocht door een psychiater als onafhankelijke deskundige. Na het onderzoek heeft de psychiater een concept-rapport opgesteld en die aan appellant toegezonden. Ruim vijf maanden later heeft de psychiater appellant bericht het concept-rapport als geblokkeerd te beschouwen, omdat appellant niet had laten weten of hij het rapport al of niet wilde blokkeren. Het overeengekomen psychiatrisch onderzoek heeft niet geleid tot de totstandkoming van een definitief rapport, waarop appellant de rechtbank heeft verzocht een voorlopig deskundigenbericht te bevelen door een andere psychiater. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen.

Het Gerechtshof oordeelt dat de enkele omstandigheid dat een partij nadat in verband met de vaststelling van zijn schade een geneeskundig onderzoek was overeengekomen en uitgevoerd, niet meebrengt dat een vervolgens door die partij gedaan verzoek om een voorlopig deskundigenbericht met betrekking tot dezelfde feiten, niet ter zaken dienend is of in strijd komt met een goede procesorde, misbruik oplevert van de bevoegdheid een dergelijk verzoek te doen of afstuit op een ander zwaarwichtig bezwaar. Het blokkeringsrecht zou anders in belangrijke maten worden uitgehold. Wel volgt uit de eisen van redelijkheid en billijkheid dat het een partij niet vrijstaat willekeuring van het hem toekomende blokkeringsrecht gebruik te maken, bijvoorbeeld omdat de uitslag en de gevolgtrekking van het uitgevoerde onderzoek hem niet aanstaan, en dat hij deugdelijk, met mededeling van zijn bezwaren en op een voor de wederpartij begrijpelijke wijze motiveert waarom hij van het blokkeringsrecht gebruikmaakt. Een zodanige motivering heeft appellant gegeven, waardoor de slotsom van het Gerechtshof luidt dat het verzoek moet worden toegewezen.

Hoge Raad: ziekenhuis niet aansprakelijk voor gebruik hulpzaak die ten tijde van behandeling “state of the art” was

Een patiënt werd in 1992 in verband met een netvliesloslating geopereerd. Bij deze operatie is gebruik gemaakt van een Miragelplombe: een stukje gel dat tegen het oog wordt geplaatst. De fabrikant van deze Miragelplombe heeft de productie in 1995 gestaakt. In de jaren na de operatie treden er bij de patiënt diverse complicaties op als gevolg waarvan hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geraakt. In 2006 is de plombe uiteindelijk verwijderd.

 

Is het ziekenhuis aansprakelijk voor complicaties die zijn ontstaan door het gebruik van de Miragelplombe? De rechtbank oordeelt dat er gebruik is gemaakt van een hulpmiddel in de zin van artikel 6:77 BW. Bij de patiënt is dit hulpmiddel veranderd van chemische samenstelling en vervolgens gaan zwellen en fragmenteren. Dit brengt met zich mee dat de Miragelplombe ongeschikt is voor het beoogde doel en daarmee staat vast dat het ziekenhuis is tekortgeschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Deze tekortkoming kan het ziekenhuis echter niet worden toegerekend, onder meer omdat het ziekenhuis in 1992 niet wist of kon weten van het gebrek, terwijl het toentertijd state of the art was om deze plombe te verkiezen boven de twee andere voorhanden plombes.

 

Het gerechtshof bevestigt dat de Miragelplombe ongeschikt is gebleken. Het hof acht het echter, op grond van de inhoud en de strekking van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, de verkeersopvattingen en de overige omstandigheden van de zaak, niet onredelijk dat de tekortkoming aan het ziekenhuis kan worden toegerekend. “Enkel onwetendheid over een (toekomstig) gebrek van de hulpzaak is niet voldoende om een uitzondering op de hoofdregel van (risico)aansprakelijkheid in art. 6:77 BW te rechtvaardigen.” Het hof benoemt onder andere dat de producent van de Miragelplombe niet meer kan worden aangesproken, dat er ook een ander hulpmiddel dan de Miragelplombe had kunnen worden gebruikt en dat er geen overleg is geweest met de patiënt. Dat het ziekenhuis niet wist dat de Miragelplombe in de toekomst gebrekkig zou blijken, ligt in de risicosfeer van het ziekenhuis.

 

Het ziekenhuis gaat in cassatie en klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat zich een tekortkoming bij het uitvoeren van de geneeskundige behandelingsovereenkomst voordoet als bij een operatie een hulpzaak wordt gebruikt die op dat moment state of the art was. De Hoge Raad oordeelt dat deze klacht slaagt: “Indien bij een geneeskundige behandeling een zaak in het lichaam van de patiënt wordt aangebracht die ten tijde van de behandeling state of the art is, brengt het enkele feit dat de zaak op grond van naderhand opgekomen medisch inzichten naar haar aard niet langer geschikt wordt bevonden voor de desbetreffende behandeling, niet mee dat het gebruik van die zaak als een tekortkoming moet worden aangemerkt.” Dit maakt dat er aan toepassing van art. 6:77 BW helemaal niet wordt toegekomen: er is immers naar het oordeel van de Hoge Raad geen sprake van een ongeschikte hulpzaak.

Hoge Raad: arts en ziekenhuis zijn niet aansprakelijk voor schade door ondeugdelijke PIP-borstimplantaten

Hoge Raad: arts en ziekenhuis zijn niet aansprakelijk voor schade door ondeugdelijke PIP-borstimplantaten
Deze prejudiciële procedure gaat over de vraag of een ziekenhuis aansprakelijk is voor de door een patiënt geleden schade die is ontstaan doordat de hulpverlener bij de uitvoering van een geneeskundige behandelingsovereenkomst een implantaat heeft geplaatst dat ongeschikt is gebleken. In dit geval gaat het om de zogenoemde “PIP-implantaten”, borstprotheses die vanaf medio 2000 tot april 2010 wereldwijd veelvuldig werden gebruikt bij borstvergrotingen.

PIP-implantaten zijn met siliconen gevulde borstimplantaten. Als gevolg van fraude zijn er PIP-implantaten die niet met medicinale maar met industriële siliconen gevuld waren. Deze fraude is ontdekt in 2010 waarna een verbod werd uitgevaardigd op de handel en toepassing van de PIP-implantaten in april 2010. PIP is inmiddels gefailleerd zodat de schade niet op haar te verhalen is.
Het Hof heeft op grond van artikel 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:

  1. Is een ziekenhuis aansprakelijk voor de schade die het gevolg is (geweest) van het inbrengen van een gebrekkig PIP-implantaat en dient het gebrek aan dat ziekenhuis te worden toegerekend?;
  2. Is voor de beantwoording relevant of het gebrek bestaat uit de kans op voortijdig lekken van het implantaat of dat het gebrek is gelegen in het feit dat in plaats van medicinale siliconen industriële siliconen zijn gebruikt bij de vervaarding ervan?

Allereerst wordt vastgesteld dat in dit geval gekeken wordt naar de hulpverlener op basis van art. 7:446 lid 1 BW en het ziekenhuis op basis van art. 7:462 lid 1 BW. Voor aansprakelijkheid is in dit geval art. 6:74 lid BW van belang, waarin vereist is dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming en dat die tekortkoming de schuldenaar is toe te rekenen.

Tekortkoming

De Hoge Raad oordeelt dat bij een geneeskundige behandelingsovereenkomst de verbintenis in het algemeen vergt dat de bij de nakoming daarvan door de hulpverlener gebruikte zaken als bedoeld in art. 6:77 BW voor de toepassing geschikt zijn, beoordeeld naar de medische inzichten ten tijde van die toepassing. Een daarbij gebruikt implantaat dient dus volgens de heersende medische inzichten geschikt te zijn en het moet voldoen aan de op dat moment geldende wettelijke normen.

Een PIP-implantaat dat was gevuld met industriële siliconen, was volgens de op het moment van het gebruik ervan heersende medische inzichten ongeschikt en voldeed niet aan de geldende wettelijke normen. Het gebruik van dit implantaat levert dan ook een tekortkoming op in de nakoming van de op de hulpverlener rustende verbintenis. Het gebruik van een PIP-implantaat dat niet was gevuld met industriële siliconen maar dat wel een verhoogde kans had op scheuren en lekken levert in beginsel een tekortkoming op, behalve als een dergelijk implantaat naar de medische inzichten van destijds state of the art was. Het is vervolgens aan de hulpverlener om aan te tonen dat het implantaat destijds, ondanks die eigenschap, state of the art was, zodat het gebruik daarvan geen tekortkoming oplevert.

Toerekenbaarheid

Om de toerekenbaarheid te beoordelen wordt gekeken naar art. 6:75 en 6:77 BW. Als uitgangspunt geldt dat een tekortkoming die het gevolg is van ongeschiktheid van een bij de uitvoering gebruikte zaak, toerekenbaar is aan de schuldenaar en dus voor zijn rekening komt. Dat is alleen anders indien dat in een bepaald geval, in het licht van de in het artikel genoemd omstandigheden, onredelijk is.

In dit geval wordt aangenomen dat de tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst wegens het gebruik van een als gevolg van de fraude ongeschikt PIP-implantaat niet aan de hulpverlener toe te rekenen is.

1 2 3 7