fbpx
Direct letselschade aanmelden

Gerechtshof Den Haag 1 september 2020: duw met ernstig letsel tot gevolg is geen criminele gedraging, beroep op opzetclausule verworpen

In deze zaak draait het om slachtoffer en geïntimeerde die buurtgenoten van elkaar waren. Op 29 augustus 2015 is er tussen hen op het perceel van het slachtoffer een verhitte discussie ontstaan over de vraag of het slachtoffer kort daarvoor de minderjarige zoon van geïntimeerde had geslagen. Geïntimeerde heeft slachtoffer tijdens die discussie met beide handen tegen de schouders geduwd, waardoor slachtoffer plat achterover is gevallen en met haar achterhoofd op een tuintegel is terechtgekomen. Het slachtoffer is met een ernstig hoofdtrauma onmiddellijk opgenomen op de spoedeisende hulp. Zij is onder meer acht dagen kunstmatig in coma gehouden en heeft een maandenlang revalidatietraject doorlopen. Slachtoffer heeft geïntimeerde aangesproken tot schadevergoeding. De rechtbank heeft geïntimeerde veroordeeld tot een betaling aan slachtoffer van € 93.724,14. Geïntimeerde heeft een aansprakelijkheidsverzekering bij Aegon en heeft gevorderd dat Aegon al hetgeen waartoe geïntimeerde in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld aan hem betaalt. Aegon heeft dekking voor eventuele aansprakelijkheid geweigerd en heeft daartoe een beroep gedaan op de opzetclausule.

De rechtbank heeft de vordering tegen Aegon toegewezen. Het hof neemt tot uitgangspunt wat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 april 2018 heeft overwogen. De vraag of een opzettelijke gedraging van een verzekerde gericht is op het doen ontstaan van letsel, moet naar objectieve maatstaven worden beoordeeld aan de hand van de aard van de gedraging in het licht van de omstandigheden waaronder deze is verricht. Hierbij bestaat ruimte om de opzetclausule zodanig toe te passen dat redelijke en maatschappelijke aanvaardbare resultaten worden bereikt.

In het forensisch geneeskundig onderzoek (het NFI-rapport) wordt vermeld dat bij lichamelijk onderzoek naar de aanwezigheid van letsels bloeduitstortingen zijn aangetroffen op de rechter- en de linkerschouder van slachtoffer. Op basis van het beschikbare materiaal kan niet worden vastgelegd op deze zijn opgelopen door krachtig duwen. De rechtbank heeft aangenomen dat het ging om een ‘droge duw’, zonder risicoverhogende factoren en dat niet kan worden uitgesloten dat de blauwe plekken op de schouders het gevolg zijn geweest van de medische behandelingen nadien. Het hof acht dit oordeel juist. Het optreden van geïntimeerde kan dan ook niet worden gekarakteriseerd als een criminele gedraging die erop gericht was om slachtoffer uit evenwicht te brengen en om te duwen. Naar het oordeel van het hof kan het letsel door zijn ernst naar objectieve maatstaven niet als een te verwachten normaal gevolg van de duw door geïntimeerde worden aangemerkt. Bij het geven van een duw moet uiteraard rekening gehouden worden met letsel ingeval de geduwde persoon ten val komt, maar daaronder valt niet het zeer ernstige letsel dat slachtoffer heeft opgelopen. Het beroep door Aegon op de opzetclausule dient te worden verworpen.

Afscheid mr. Caroline Zeilstra.

Afgelopen maandag hebben wij afscheid genomen van mr. Caroline Zeilstra. Na ruim 8 jaar bij ons kantoor te hebben gewerkt, heeft zij aangegeven een andere uitdaging te zoeken. Na haar opleiding tot advocate heeft zij zich ontpopt tot een betrokken advocate die zich vol inzet voor de belangen van haar cliënten. Wij zullen haar persoonlijkheid en vrolijkheid binnen ons kantoor missen en danken haar voor haar inzet en betrokkenheid de afgelopen jaren. Wij wensen haar veel succes bij haar verdere carrière.

15-jarig bestaan

Op 1 augustus 2020 bestond ons kantoor officieel 15 jaar. Zoals bij ons gebruikelijk is dit gevierd met taart.

Het bereiken van deze mijlpaal maakt ons trots. Wij danken onze (oud) medewerkers van secretaresse tot advocaten en onze typisten die de voorbije jaren mede hebben gezorgd voor de ontwikkeling van ons kantoor. Ook de komende jaren zullen wij ons onverminderd blijven inzetten voor onze cliënten.

Hof: Causaal verband tussen klachten en ongeval dient te worden onderbouwd met deskundigenrapport wanneer er sprake is van een lage Delta v

In deze zaak staat de vraag centraal of er causaal verband bestaat tussen whiplashachtige klachten en een verkeersongeval waarbij een lage Delta v bestaat. Appellant is in 2001 slachtoffer geworden van een verkeersongeval waarbij hij zittend achter het stuur aangereden is door de wederpartij. Op het door beide bestuurders ondertekende aanrijdingsformulier is aangegeven dat er lichte schade is bij één van de auto’s en dat beide auto’s met ongeveer 30 km per uur reden. Daarnaast is aangegeven dat er sprake is van letsel aan de rug bij appellant.

Door beide partijen is vervolgens in gezamenlijk overleg een gecombineerd orthopedisch en neurologisch onderzoek verricht, waaruit geconcludeerd werd dat de door appellant aangegeven beperkingen aannemelijk zijn op grond van de aanwezigheid van een postwhiplashsyndroom als gevolg van het ongeval. Hierbij is uitgegaan van de situatie dat appellante stilstond en van achteren is aangereden met 30 km per uur. Hierbij Op basis van het rapport is door de rechter in eerste aanleg causaal verband aangenomen tussen de aanhoudende klachten van appellante en het verkeersongeval.

Er wordt hoger beroep ingesteld waarbij het geschil tussen partijen over het causaal verband volledig aan het hof wordt voorgelegd. Van belang is dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het causaal verband rust op appellant. Het bewijs van het causaal verband tussen de gezondheidsklachten en het ongeval zal veelal geleverd zijn indien vast komt te staan dat de benadeelde voorafgaand aan het ongeval deze gezondheidsklachten niet had, de gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de gezondheidsklachten ontbreekt.

Het hof overweegt dat het deskundigenrapport steun biedt voor de stelling dat sprake is van causaal verband, maar de verzekeraar levert fundamentele kritiek op het deskundigenrapport. Volgens de verzekeraar zijn de deskundigen uitgegaan van een onjuist ongevalstoedracht. Zij zijn namelijk uitgegaan van situatie dat appellante stilstond en met 30 km per uur is achterop aangereden, terwijl op het aanrijdingsformulier vermeld is dat beide partijen ongeveer 30 km per uur reden. De geweldsinwerking is hierdoor verschillend. Doordat de deskundigen geen antwoord hebben gegeven op de vraag of er medisch gezien dezelfde klachten en beperkingen hadden kunnen zijn bij een andere toedracht (beide partijen rijden 30 km per uur), staat het causaal verband tussen de klachten en het ongeval niet vast.

Het hof stelt vast dat uitgegaan moet worden van de situatie dat beide partijen 30 km per uur hebben gereden waardoor er een geringe geweldsinwerking is geweest (tussen de 5 á 10 km per uur) en dus een lage Delta v. Daarvoor oordeelt het hof dat voorop staat dat een geringe Delta v op zichzelf niet per definitie in de weg staat aan het aannemen van causaal verband tussen de pijnklachten en het ongeval, maar wel een omstandigheid is die in aanmerking moet worden genomen bij het antwoord op de vraag of sprake is van causaal verband. Op basis van studies wordt aangenomen dat sprake is van een correlatie tussen het risico op whiplash en de Delta v, dat bij achteropaanrijdingen het risico op langdurige klachten sterk toeneemt boven een Delta v van meer dan 15 km/uur. Het hof concludeert dat ondanks een lage Delta v het ongeval toch de klachten kan hebben veroorzaakt, maar onderbouwd dient te worden met een deugdelijk deskundigen rapport, waarin wordt aangenomen dat sprake is van een lage Delta v maar waaruit volgt dat ook dan sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de klachten van de betrokkene.

Rechtbank Amsterdam 16 juli 2020: kledingwinkel niet aansprakelijk ex artikel 7:658 BW voor hoofd stoten tegen kledingstang

Een werkneemster van Primark is op 2 maart 2017, terwijl zij kleding van de paskamers terugbracht naar hun plaats in de winkel, met de linkerkant van haar hoofd tegen het uiteinde van een metalen kledingstang aangekomen. Als gevolg hiervan heeft de werkneemster onder andere letsel aan het oog opgelopen, waardoor zij een jaar arbeidsongeschikt is geweest, medische kosten heeft gemaakt en binnen en buiten een zonnebril moet dragen.

Is Primark als werkgever aansprakelijk voor de schade die haar werkneemster heeft geleden? De werkneemster meent dat Primark tekort is geschoten in de zorg die op haar rust op grond van artikel 7:658 lid 1 BW. Volgens de werkneemster maakt Primark gebruik van kledingrekken met een uitstekende metalen punt en van Primark mag worden verlangd dat zij een rubberen dop of knop op die uitstekende punt zou hebben geplaatst. Daarnaast heeft Primark nagelaten om een training of instructies te geven ter voorkoming van ongevallen op de werkvloer.

Primark ontkent aansprakelijk te zijn omdat er sprake is van een huis- tuin- en keuken-ongeval. Volgens Primark heeft de werkneemster eenvoudigweg niet goed opgelet en hoefde Primark niet te waarschuwen voor het risico dat men ergens tegenaan kan lopen. Daar komt bij dat de kledingstangen niet alleen in alle vestigingen van Primark over de hele wereld worden gebruikt, maar ook in vele andere kledingwinkels. De werkneemster was bovendien bekend met de kledingstangen en het plaatsen van rubberen doppen zou het ongeval niet hebben voorkomen.

De rechtbank oordeelt eerst dat niet vaststaat dat de klachten van de werkneemster zijn ontstaan doordat zij haar hoofd heeft gestoten tegen een kledingstang. In het dossier is nauwelijks iets te vinden over de toedracht van het ongeval. Er zijn videobeelden overlegd waarop te zien is dat de werkneemster met kleding naar een kledingstang loopt. Daar buigt zij zich naar voren, richt zich direct weer op en loopt weg in de richting waar zij vandaan kwam. Primark en de werkneemster zijn het er over eens dat de werkneemster zich heeft gestoten tegen de kledingstang, maar niet vaststaat dat de klachten van werkneemster hierdoor zijn ontstaan. Zo dateren de oudste in het dossier aanwezige medische stukken bijvoorbeeld van een week na het ongeval.

Volgens de rechtbank maakt dit echter niet uit: “Ook als de kantonrechter ervan zou uitgaan dat de klachten van werkneemster zijn veroorzaakt door dat zij haar hoofd heeft gestoten tegen een kledingstang, wat nog niet vaststaat, dan is er nog geen grond om Primark daarvan een verwijt te maken.” De rechtbank oordeelt dat ten eerste niet vaststaat dat de werkneemster met haar oog tegen het scherpe uiteinde van de kledingstang is gekomen. Dit is op de video niet te zien. Ten tweede oordeelt dat rechtbank dat het uiteinde helemaal niet scherp is, zodat er geen risicovolle situatie is waarvoor de Primark had moeten waarschuwen of die Primark had moeten voorkomen. Bovendien heeft de werkneemster niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat het allemaal anders was afgelopen als Primark de uiteinden van de kledingstangen van rubberen doppen had voorzien. De conclusie van de rechtbank luidt dat Primark niet aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval op 2 maart 2017.

1 2 3 8