fbpx
Direct letselschade aanmelden

Gerechtshof Amsterdam 19 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1383

In deze zaak staat de vraag centraal of een voorlopig deskundigenonderzoek ex artikel 202 Rv moet worden bevolen in verband met de vaststelling van de schade die appellant heeft geleden als gevolg van een verkeersongeval. In verband met de psychische klachten die appellant aan het ongeval wijt en de beperkingen die hij aan deze klachten relateert, zijn partijen overeengekomen dat appellant psychisch wordt onderzocht door een psychiater als onafhankelijke deskundige. Na het onderzoek heeft de psychiater een concept-rapport opgesteld en die aan appellant toegezonden. Ruim vijf maanden later heeft de psychiater appellant bericht het concept-rapport als geblokkeerd te beschouwen, omdat appellant niet had laten weten of hij het rapport al of niet wilde blokkeren. Het overeengekomen psychiatrisch onderzoek heeft niet geleid tot de totstandkoming van een definitief rapport, waarop appellant de rechtbank heeft verzocht een voorlopig deskundigenbericht te bevelen door een andere psychiater. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen.

Het Gerechtshof oordeelt dat de enkele omstandigheid dat een partij nadat in verband met de vaststelling van zijn schade een geneeskundig onderzoek was overeengekomen en uitgevoerd, niet meebrengt dat een vervolgens door die partij gedaan verzoek om een voorlopig deskundigenbericht met betrekking tot dezelfde feiten, niet ter zaken dienend is of in strijd komt met een goede procesorde, misbruik oplevert van de bevoegdheid een dergelijk verzoek te doen of afstuit op een ander zwaarwichtig bezwaar. Het blokkeringsrecht zou anders in belangrijke maten worden uitgehold. Wel volgt uit de eisen van redelijkheid en billijkheid dat het een partij niet vrijstaat willekeuring van het hem toekomende blokkeringsrecht gebruik te maken, bijvoorbeeld omdat de uitslag en de gevolgtrekking van het uitgevoerde onderzoek hem niet aanstaan, en dat hij deugdelijk, met mededeling van zijn bezwaren en op een voor de wederpartij begrijpelijke wijze motiveert waarom hij van het blokkeringsrecht gebruikmaakt. Een zodanige motivering heeft appellant gegeven, waardoor de slotsom van het Gerechtshof luidt dat het verzoek moet worden toegewezen.

Hoge Raad: ziekenhuis niet aansprakelijk voor gebruik hulpzaak die ten tijde van behandeling “state of the art” was

Een patiënt werd in 1992 in verband met een netvliesloslating geopereerd. Bij deze operatie is gebruik gemaakt van een Miragelplombe: een stukje gel dat tegen het oog wordt geplaatst. De fabrikant van deze Miragelplombe heeft de productie in 1995 gestaakt. In de jaren na de operatie treden er bij de patiënt diverse complicaties op als gevolg waarvan hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geraakt. In 2006 is de plombe uiteindelijk verwijderd.

 

Is het ziekenhuis aansprakelijk voor complicaties die zijn ontstaan door het gebruik van de Miragelplombe? De rechtbank oordeelt dat er gebruik is gemaakt van een hulpmiddel in de zin van artikel 6:77 BW. Bij de patiënt is dit hulpmiddel veranderd van chemische samenstelling en vervolgens gaan zwellen en fragmenteren. Dit brengt met zich mee dat de Miragelplombe ongeschikt is voor het beoogde doel en daarmee staat vast dat het ziekenhuis is tekortgeschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Deze tekortkoming kan het ziekenhuis echter niet worden toegerekend, onder meer omdat het ziekenhuis in 1992 niet wist of kon weten van het gebrek, terwijl het toentertijd state of the art was om deze plombe te verkiezen boven de twee andere voorhanden plombes.

 

Het gerechtshof bevestigt dat de Miragelplombe ongeschikt is gebleken. Het hof acht het echter, op grond van de inhoud en de strekking van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, de verkeersopvattingen en de overige omstandigheden van de zaak, niet onredelijk dat de tekortkoming aan het ziekenhuis kan worden toegerekend. “Enkel onwetendheid over een (toekomstig) gebrek van de hulpzaak is niet voldoende om een uitzondering op de hoofdregel van (risico)aansprakelijkheid in art. 6:77 BW te rechtvaardigen.” Het hof benoemt onder andere dat de producent van de Miragelplombe niet meer kan worden aangesproken, dat er ook een ander hulpmiddel dan de Miragelplombe had kunnen worden gebruikt en dat er geen overleg is geweest met de patiënt. Dat het ziekenhuis niet wist dat de Miragelplombe in de toekomst gebrekkig zou blijken, ligt in de risicosfeer van het ziekenhuis.

 

Het ziekenhuis gaat in cassatie en klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat zich een tekortkoming bij het uitvoeren van de geneeskundige behandelingsovereenkomst voordoet als bij een operatie een hulpzaak wordt gebruikt die op dat moment state of the art was. De Hoge Raad oordeelt dat deze klacht slaagt: “Indien bij een geneeskundige behandeling een zaak in het lichaam van de patiënt wordt aangebracht die ten tijde van de behandeling state of the art is, brengt het enkele feit dat de zaak op grond van naderhand opgekomen medisch inzichten naar haar aard niet langer geschikt wordt bevonden voor de desbetreffende behandeling, niet mee dat het gebruik van die zaak als een tekortkoming moet worden aangemerkt.” Dit maakt dat er aan toepassing van art. 6:77 BW helemaal niet wordt toegekomen: er is immers naar het oordeel van de Hoge Raad geen sprake van een ongeschikte hulpzaak.

Hoge Raad: arts en ziekenhuis zijn niet aansprakelijk voor schade door ondeugdelijke PIP-borstimplantaten

Hoge Raad: arts en ziekenhuis zijn niet aansprakelijk voor schade door ondeugdelijke PIP-borstimplantaten
Deze prejudiciële procedure gaat over de vraag of een ziekenhuis aansprakelijk is voor de door een patiënt geleden schade die is ontstaan doordat de hulpverlener bij de uitvoering van een geneeskundige behandelingsovereenkomst een implantaat heeft geplaatst dat ongeschikt is gebleken. In dit geval gaat het om de zogenoemde “PIP-implantaten”, borstprotheses die vanaf medio 2000 tot april 2010 wereldwijd veelvuldig werden gebruikt bij borstvergrotingen.

PIP-implantaten zijn met siliconen gevulde borstimplantaten. Als gevolg van fraude zijn er PIP-implantaten die niet met medicinale maar met industriële siliconen gevuld waren. Deze fraude is ontdekt in 2010 waarna een verbod werd uitgevaardigd op de handel en toepassing van de PIP-implantaten in april 2010. PIP is inmiddels gefailleerd zodat de schade niet op haar te verhalen is.
Het Hof heeft op grond van artikel 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:

  1. Is een ziekenhuis aansprakelijk voor de schade die het gevolg is (geweest) van het inbrengen van een gebrekkig PIP-implantaat en dient het gebrek aan dat ziekenhuis te worden toegerekend?;
  2. Is voor de beantwoording relevant of het gebrek bestaat uit de kans op voortijdig lekken van het implantaat of dat het gebrek is gelegen in het feit dat in plaats van medicinale siliconen industriële siliconen zijn gebruikt bij de vervaarding ervan?

Allereerst wordt vastgesteld dat in dit geval gekeken wordt naar de hulpverlener op basis van art. 7:446 lid 1 BW en het ziekenhuis op basis van art. 7:462 lid 1 BW. Voor aansprakelijkheid is in dit geval art. 6:74 lid BW van belang, waarin vereist is dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming en dat die tekortkoming de schuldenaar is toe te rekenen.

Tekortkoming

De Hoge Raad oordeelt dat bij een geneeskundige behandelingsovereenkomst de verbintenis in het algemeen vergt dat de bij de nakoming daarvan door de hulpverlener gebruikte zaken als bedoeld in art. 6:77 BW voor de toepassing geschikt zijn, beoordeeld naar de medische inzichten ten tijde van die toepassing. Een daarbij gebruikt implantaat dient dus volgens de heersende medische inzichten geschikt te zijn en het moet voldoen aan de op dat moment geldende wettelijke normen.

Een PIP-implantaat dat was gevuld met industriële siliconen, was volgens de op het moment van het gebruik ervan heersende medische inzichten ongeschikt en voldeed niet aan de geldende wettelijke normen. Het gebruik van dit implantaat levert dan ook een tekortkoming op in de nakoming van de op de hulpverlener rustende verbintenis. Het gebruik van een PIP-implantaat dat niet was gevuld met industriële siliconen maar dat wel een verhoogde kans had op scheuren en lekken levert in beginsel een tekortkoming op, behalve als een dergelijk implantaat naar de medische inzichten van destijds state of the art was. Het is vervolgens aan de hulpverlener om aan te tonen dat het implantaat destijds, ondanks die eigenschap, state of the art was, zodat het gebruik daarvan geen tekortkoming oplevert.

Toerekenbaarheid

Om de toerekenbaarheid te beoordelen wordt gekeken naar art. 6:75 en 6:77 BW. Als uitgangspunt geldt dat een tekortkoming die het gevolg is van ongeschiktheid van een bij de uitvoering gebruikte zaak, toerekenbaar is aan de schuldenaar en dus voor zijn rekening komt. Dat is alleen anders indien dat in een bepaald geval, in het licht van de in het artikel genoemd omstandigheden, onredelijk is.

In dit geval wordt aangenomen dat de tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst wegens het gebruik van een als gevolg van de fraude ongeschikt PIP-implantaat niet aan de hulpverlener toe te rekenen is.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3428.

Op 16 juli 2015, een windstille dag, vond er aan de Rijkenhage te Zutphen een ongeval plaats: één van de hoofdtakken van een grote kastanjeboom brak af en kwam terecht op onder meer geïntimeerde. Geïntimeerde stond op dat moment met tientallen anderen te wachten bij de onder die boom gelegen opstapplek van de toeristische fluisterboot. Door het ongeval liep geïntimeerde ernstig letsel op. Geïntimeerde heeft de gemeente als eigenaar van de boom aansprakelijk gesteld op grond van artikel 6:162 BW. De kern van het verwijt aan de gemeente is dat de gemeente in de periode voorafgaand aan het ongeval onvoldoende zorg heeft betracht bij het onderhoud en de controle van de boom en aldus een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen die zich uiteindelijk heeft verwezenlijkt.

Een deskundige van Boomtotaalzorg heeft in opdracht van de gemeente het rapport ‘Expertise takbreuk Zutphen’ opgesteld. In het rapport staat dat gelet op de leeftijd van de boom, de standplaats en gebruik van de openbare ruimte rond de boom, hier sprake was van een situatie met een verhoogd risico. Dit was de gemeente bekend, waardoor de boom in het kader van de ‘Wettelijke zorgplicht’ dan ook al een aantal jaar werd geïnspecteerd en gecontroleerd. Op 24 februari 2015 heeft een deskundige van Tree-O-Logic de boom nog geïnspecteerd volgens de zogeheten VTA-methode. De deskundige geeft onder meer aan dat de conditie van de boom matig is, er zadelzwam in de boom aanwezig is en de boom is aangetast door de kastanjebloedingsziekte. Op grond van deze waargenomen aantastingen/schades/zwakheden heeft de deskundige de boom als risicoboom aangemerkt met een te verwachte levensduur van minder dan vijf jaar. Naar aanleiding van de resultaten heeft de werkleider Groen van de Gemeente de boom in april 2015 visueel geïnspecteerd met behulp van een prikstok en een hamer. Volgens hem was er toen geen aanleiding om een kapvergunning aan te vragen en waren er bovendien geen aanvullende maatregelen nodig om de veiligheid rond de boom te kunnen garanderen. Op 26 mei 2015 heeft de coördinator van de fluisterboot nog een melding gemaakt over de boom “die er slecht aan toe is en waar wel nodig naar gekeken moet worden”.

Het Gerechtshof oordeelt dat de gemeente vanaf het moment dat zij over het rapport van de deskundige van Tree-O-Logic beschikte wist dat de boom in een matige conditie verkeerde en nog maar een beperkte levensduur had. Vanaf 26 mei 2015 wist de gemeente bovendien (of had zij kunnen en moeten weten) dat de kroon van de boom geel werd en een mindere bladbezetting had. De boom verkeerde toen in een nog slechtere staat dan een maand eerder. Hoewel de boom direct na de inspectie op de kaplijst voor het najaar van 2015 is geplaatst, heeft de gemeente nagelaten aanvullende (veiligheids)maatregelen te treffen. Dit had in de gegeven omstandigheden wel van haar mogen worden gewacht, omdat de boom was gelegen op een erg drukke publieke locatie. De gemeente heeft ook nagelaten voor dit gevaar te waarschuwen. De conclusie luidt dat de gemeente jegens geïntimeerde in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 januari 2020

Op 22 april 2016 vond in het kader van de viering van Koningsdag een uitje plaats van basisschool De Vlinderboom naar de Loonse en Drunense duinen. Op enig moment na de lunch blijkt dat een leerling van de school, die op het moment van het uitje 11 jaar is en in groep 8 zit, in een boom buiten de duinpan is geklommen en van een hoogte van ongeveer 5 meter naar beneden is gevallen.

Meer lezen
1 2 3 4 7